Een sprookje

De draak, het meisje en de steen.

Luister..
Er was eens een draak.

Zoals de meeste draken woonde hij heel ver weg van hier, in een land met hoge bergen. Want bergen hebben grotten die lekker koel en vochtig zijn, dat is goed voor de schubbenhuid. En het is er donker, stikdonker. Draken zien erg goed in het stikdonker. De meeste andere dieren niet en mensen al helemaal niet; een grot is dus ook een veilige plek voor een draak. Zoals alle andere draken was hij moederziel alleen en had hij een schat die hij bewaakte. Eens per jaar verlieten alle draken hun hol en hun schat, en kwamen ze bij elkaar voor een vergadering en een groot feest. De meeste mensen bleven die ene dag per jaar angstig in hun huizen, waar de draken in grote groepen vuurspugend overheen vlogen. Terwijl de andere draken zich kostelijk vermaakten met mensen de stuipen op het lijf jagen, zat onze draak vredig naar de wolken te kijken. Hij wandelde een stuk door de bergen, plukte onderweg wat bloempjes en genoot van de frisse lucht zonder bang te hoeven zijn voor boze mensen. Als het feest weer voorbij was vloog hij terug naar zijn grot. Nee, ongelukkig was hij niet. Het was gewoon zoals het was. Maar elke keer als hij buiten was geweest, elke keer als hij weer de donkere grot in kroop waar zijn diep verborgen schat lag te blinken, zeurde er iets diep in zijn drakenborst.


De tijd verstreek en de draak zag zijn schat groeien, op een wonderlijke manier. Soms kwamen er mensen die hem rotzooi probeerden te verkopen.Ze kwamen met houten beeldjes met een laagje bladgoud, of met een koperen ring met een dun laagje zilver eromheen. Vaak waren de spullen zo mooi gemaakt, dat de draak er bijna in trapte. En terwijl de draak de koopwaar bestudeerde, probeerden de mensen snel achter zijn rug om mooie juwelen in hun rugzak te stoppen. Dan werd hij woest, uiteraard. Een draak is een draak en van zijn schat blijf je af. Dan brieste hij en blies vuur om de bedriegers weg te jagen en smolt meteen het bladgoud of zilver van de nepkoopwaar af. Hij verbrandde een houten beeldje waar een kleine edelsteen in zat of peuterde voorzichtig een pareltje uit een ijzeren ring. Al die kleine mooie beetjes bewaarde hij en als hij genoeg materiaal had om te bewerken, maakte hij er met zijn ongelooflijk vaardige klauwen een prachtig nieuw stuk van. Het treurige was, dat de draak langzaamaan onverschillig werd over hoe mooi alles was wat hij in de buik van de berg vergaarde, maakte, bewaarde en bewaakte. Hij werd slordiger en had minder plezier in het maken van iets moois. Was het wel mooi? Hoe kon hij dat weten als niemand anders er naar keek? Maar dan, na een dag, een week, een maand van peinzen, besloot hij telkens weer dat er maar één was die zijn dingen mooi hoefde te vinden: hij zelf. Dan verdraakte hij zich, poetste zijn schubben en zijn schat en keek tevreden glimmend in het rond. Zo ging het jaar in, jaar uit. De arme draak besefte niet dat hij langzaam maar zeker jaar na jaar een beetje fletser werd. Dat het elke winter moeilijker werd zijn schubben mooi en sterk glanzend te houden. Hoe kon hij weten dat het zijn hart was dat van binnenuit protesteerde? Draken zijn niet zo bezig met hun gevoel, zo is dat nu eenmaal. Of dat een gemis is of niet is maar de vraag..

Op een dag, de zoveelste jaarlijkse drakenontmoeting, vloog de draak zijn gebruikelijke rondje voor hij naar de rand van de rots zou gaan waar de anderen zaten. Plotseling voelde hij een felle pijn in zijn borst. Geschrokken keerde hij terug naar zijn grot, om daar tot zijn schrik te ontdekken dat er een fikse wond ter hoogte van zijn grote drakenhart zat. Nu was de draak zich wel degelijk bewust van het warm kloppende ding onder zijn ribben. Hij kon het verdorie zo zien zitten!! “Keboem keboem keboem” deed het, met regelmaat en precisie. Dat was natuurlijk niet de bedoeling, dacht de draak. Wel dat kloppen, maar niet dat je dat zo kon zien.. Snel pakte hij een grote robijn, die was ook mooi rood, en paste de steen netjes op de plaats van de verdwenen schub. Helemaal perfect zat het niet, maar de draak had haast en wilde voor het feest ook nog even afrekenen met de onverlaat die ‘m dit gelapt had.

Hij vloog snel terug naar de plek waar op hem geschoten was. Dit was niet zijn geluksdag. Waar hij verwachtte een akelige kerel te zien, werd nu zijn oog getroffen. Door een schattig meisje. Huilend op de grond. Met in haar hand de pijl, waar zijn verloren schub nog aan gespiest zat. De draak dacht niet na, hij was al in suizende duikvlucht op weg naar beneden, om zijn kwelgeest in zijn klauwen te nemen. Gek genoeg leek het meisje hem in eerste instantie helemaal niet eng te vinden. Hij greep haar moeiteloos. Pas toen ze haar voeten al bijna van de grond had, schrokken ze allebei tegelijk. Hij liet los, zij rende weg. Zo hard als haar voeten rennen konden, misschien nog iets harder.

Verward vloogtuimelde de draak naar het drakenfeest, waar hij afzijdig ging zitten peinzen. Had dat lieve meisje hem proberen neer te schieten? Waarom huilde ze? En waarom was ze niet meteen bang voor hem geweest? En.. wat had hij eigenlijk met haar willen doen? Zoals je misschien al begrepen had, was onze draak beslist niet wreed van aard. Dat is heel ongebruikelijk voor een draak, en deze had er nu nog een probleem bij: zijn hart was heel even open en kwetsbaar geweest. Angstig keek hij naar de robijn, waarachter zijn steeds harder bonkende hart zat. Het meisje was ook behoorlijk van de kaart, maar zij wist wel degelijk waarom. Ze had een (inderdaad erg akelige) kerel zijn pijl en boog zien richten op die lieve draak die ze al vaker had zien vliegen. Die ze aan bloemen had zien ruiken. Die ze kleine rookwolkjes van brommende tevredenheid had zien uitstoten bij het zien van mooie dingen. Die ze uren en uren had zien zwoegen, zo precies, zo liefdevol, op de mooiste, meest ingewikkelde edelsmeedwerken. Ze had gezien hoe zijn grote onbeholpen klauwen het teerste goud en zilverdraad maakten, om daar prachtig geslepen edelstenen mee te omwikkelen. Ze zou er niets van durven vastpakken, bang het spinragfijne edelmetalen kantwerk stuk te maken.. Ach. Zonder het te beseffen, was ze erg veel om de draak gaan geven, daar kwam het op neer. Dat begreep ze toen ze voelde hoe haar eigen hart brak toen ze dacht dat het zijne dodelijk geraakt was. Dat hij haar helemaal niet kende en zij hem eigenlijk ook maar een klein beetje, was niet belangrijk. Dat hij naar haar toe kwam vliegen en haar oppakte, vond ze heel logisch. Pas toen de draak haar weer had losgelaten en ze in het zachte gras duikelde dacht ze weer normaal na. Dat sloeg natuurlijk helemaal nergens op, een meisje dat blij naar een aanstormende draak kijkt alsof hij iemand is die ze verwacht heeft, en die van harte welkom is. Tedere gevoelens voor een draak.. Belachelijk. En ze zette het beest uit haar hoofd.

De jaren verstreken, het meisje werd groter en eenzamer, de draak alleen maar eenzamer. De draak vergat het meisje, het meisje vergat de draak. De draak had het druk genoeg met robijnen zoeken. Op de een of andere manier verloor hij elk jaar weer de edelsteen die zijn hart moest beschermen. En elk jaar weer keek hij eerst een poos vol verwondering naar dat altijd even mooi en regelmatig kloppende ding, voor hij het gat weer dichtte. Het meisje had het intussen druk met aardser zaken. En dat beviel haar niet altijd even goed. Ze was een dromer, tot de rand gevuld met beelden en verhalen. Maar ze had geen tijd om haar gedachten met anderen te delen en dat deed haar verdriet. Mensen moesten werken, niet dromen, werd haar geleerd. Haar ouders wilden gewoon brood op de plank, en als ze in de verte zat te staren kon ze een pak slaag krijgen. Ze zag hoe haar vader zwoegde en haar moeder ploeterde, zonder te genieten. Aan tafel probeerde ze dan wel eens een verhaaltje te vertellen, gewoon om hen even te laten lachen. Haar ouders lachten nooit en snauwden elke keer: ‘Van dat gefantaseer van jou kunnen we niet vreten!’ Ach ja, zo ging dat in die tijd, het was niet anders. Het meisje schikte zich in haar lot en beperkte het dromen tot zeldzame vrije momenten. Alleen met zichzelf. Alleen dromen is soms eenzaam, maar altijd nog beter dan helemaal niet meer. Soms werd ze een beetje bang. Omdat ze voelde dat haar dromen minder enthousiast werden, minder schitterend. Omdat ze wist dat dromen mooier werden als je ze delen kon. Het meisje wist wat meer van gevoelens dan de draak, al betwijfel ik of dat nu zo leuk voor haar was. De draak daarentegen… Die wist niet wat hem overkomen was. Wat gebeurde er toch met hem, sinds zijn hart zo geraakt was? Het arme dier wist niet meer waar hij het zoeken moest zo nu en dan. Het woord ‘Hartenpijn’ beleefde hij elk jaar weer zeer letterlijk als hij de robijn vervangen moest, en los daarvan leek het wel of er stukje bij beetje iets in hem veranderde.

Hij begon te beseffen wat eenzaamheid was. En dat dat niets te maken had met alleen zijn.
Een paar jaar nadat nadat hij het meisje had opgetild en laten vallen, begon ook hij zomaar ineens te dromen. Hij zag zichzelf hoog in de lucht, met een heel lief meisje op zijn rug.
“Idioot, je ziet ze vliegen, meisjes zijn bang voor draken.’, zei hij dan ’s ochtends tegen zichzelf en ging aan het werk. De jaren gleden voorbij, de draak werd vanbinnen stiller en van buiten humeuriger, het meisje werd volwassen. Hoe ging dat ook alweer met geschiedenissen? Ah ja, die herhalen zich. Of toch deels.. Een pijl trof de robijn, schampte af en raakte zijn hart. De draak tolde naar beneden en bleef roerloos liggen in het gras. De akelige man sprong er juichend op af, maar de draak was nog niet dood.
Met een afschuwelijk krakende klap verpletterde hij de schedel van de man. Die was nu wél dood. De draak probeerde op te staan om naar zijn grot te vliegen, maar dat viel nog niet mee, met zo’n beschadigd hart. Ke-ke-boem. Keboem boem keboem k-k-keboem. Aiaiai, dat klonk niet jofel. Voor de draak er echt over had kunnen nadenken, ging hij van zijn stokje.

Het meisje, volwassen en wat minder eenzaam nu haar ouders er niet meer waren om haar het dromen te verbieden, vond hem een dag later. Ze was nieuwsgierig gaan kijken waar al die aasgieren zo geduldig op wachtten. Likkebaardend stonden ze te kijken naar dat reusachtig grote en zwakjes kloppende smeuïge drakenhart. Ze mepte de beesten alle kanten op, weg van de draak die ze vergeten was maar meteen herkende. Shit. Hoe verzorg je zoiets.. ‘Hallo’, zei ze verlegen, ‘Gaat het een beetje, draak?’ Gelukkig kunnen alle draken alle talen verstaan, van alle mensen, alle dieren en alle planten. ‘Nou.. ik heb me wel eens beter gevoeld.’ antwoordde hij bibberig. “Je ziet er ook best beroerd uit als ik het mag zeggen en ik kan je echt niet tillen maar als ik je vleugel vasthoud, zou je dan zelf naar je grot kunnen lopen denk je? Daar kan ik proberen je wonden schoon te maken.’ Het duurde een hele dag maar strompelend, vallend en half kruipend bereikte de draak samen met het meisje bij het vallen van de avond zijn grot.

Het meisje trok de pijl uit het hart van de draak, doodeng was dat natuurlijk en ze had er al haar kracht voor nodig. Zeg maar gerust dat ze zich met beide voeten schrap zette tegen de ribben van de draak en met heel haar gewicht aan de pijl ging hangen tot die met een soppige plop los liet. Wonder boven wonder bloedde de draak nauwelijks en het meisje maakte de wond zorgvuldig schoon met lauw water en gaf er een kusje op. De draak werd er helemaal warm van en sliep rustig in met zijn hoofd bij het meisje op schoot. Het meisje week niet meer van zijn zijde, haar ouderlijk huis bezocht ze enkel nog om wat persoonlijke spulletjes en eten te halen. Ze praatten veel met elkaar zolang de draak nog rust moest houden. Over de zon, de bloemen, de seizoenen, draken en mensen en waarom die toch zo vreemd met elkaar omgaan. Bijzonder verlegen werd de draak toen bleek dat het meisje al jaren geleden wist dat hij helemaal niet zo stoer was, graag tussen de boterbloemen dartelde en een getalenteerd edelsmid was. Een maand later was de draak weer de oude en vlogen ze samen gillend van pret door de bergen. Ze genoten samen van het edelsmeedwerk, zij verkocht zo nu en dan wat en van het geld kocht ze nieuwe materialen voor de draak, die plots klauwen tekort kwam om alles te kunnen maken wat zijn hart hem ingaf.

En ze leefden nog lang en gelukkig?

Tja.. da’s ook een kwestie van perceptie, niet? Zeker, ze leefden gelukkig, een heel mensenleven lang. Maar zoals je weet, worden draken heel wat ouder dan mensen en al werd zij heel erg oud, op een dag ging het meisje toch dood en daar kon de draak niets aan veranderen. Hij brieste en blies vuur, zomaar in het wilde weg (het kostte een dorp, dat was niet de bedoeling en hij zei nog ‘Sorry’..), vloog tegen wat rotswanden om de doffe dreun in zijn kop te overstemmen en rukte de steen voor zijn hart los. Draken doen gekke dingen als ze verdriet hebben. De stoom kwam letterlijk uit zijn oren, dat krijg je ervan als je vol vuur zit en dan gaat huilen. De draak ging door met zijn radeloze geweld tot hij een beetje gekalmeerd was. Hij was weer alleen, het was niet anders. Maar hij kon nu dromen als hij haar miste, over hoe ze samen buitelden door de wolken. Hoe ze bloempjes voor hem plukte. Of hij voor haar. Hoe haar ogen glinsterden als hij weer iets moois gemaakt had. Hoe ze tevreden zuchtte als ze zich in haar slaap omdraaide en tegen hem aan kroelde. Hem over zijn kop kriebelde als hij opging in zijn werk. Nu werd hij nog verdrietig van die herinneringen maar dat zou heus wel slijten, vertelde hij zichzelf. Hij was een draak, hij had tijd genoeg.. Tenminste.. als hij eens een oplossing zou vinden voor dat verrot lastige plekje bij zijn hart. Die robijnen waren mooi maar bleven nog steeds niet zitten, en in de loop der jaren hadden hij en zijn meisje ettelijke andere oplossingen bedacht. Koperen platen, complete tuigjes die alle soorten edelstenen op hun plaats moesten houden.. niets hielp. Elke keer donderde de bescherming er weer af als hij ging vliegen. En elke keer liep er wel weer een gek rond die het op hem gemunt had. Tot nu toe had het meisje hem steeds op tijd gewaarschuwd, ze zag het gevaar eerder dan hij (want een beetje naïef was hij wel). Opnieuw barstte de draak in een onbedaarlijk snikken uit. Hoe moest het nu verder?

‘Ach, laat ook maar, schiet mij maar lek, wat heeft het allemaal nog voor zin..’
Een heel ondrakige gedachte, hij schrok er zelf van. Droevig keek hij naar zijn meisje, dat nog altijd roerloos in de grot lag op een bed van zilverzacht goudspinrag. Ze was nu een paar dagen dood en hij had voor een draak in die paar dagen tijd een ongelooflijke hoeveelheid emoties te behappen gekregen. Hij streelde haar over haar lange zilverglanzende haar, en vroeg zich af hoe dat zo warm en zacht kon blijven terwijl haar lichaam zo hard en koud was geworden. Stille dikke tranen rolden over zijn snuit, terwijl hij haar zachte haren bleef strelen en strelen. Hij dacht niet zoveel meer, ook niet over wat hij nu met haar moest doen. Als hij de woorden gekend had, had hij nu ‘Ik hou van jou.’ gezegd. Maar hij kende de woorden niet, al maakt dat niets uit. Hij voelde ze wel degelijk, met zijn grote drakenhart. En dan gebeuren er wonderen…

De draak huilde zichzelf in slaap. Daar was hij wel aan toe.. Hij sliep zo diep, dat hij niet merkte dat hij half over het meisje heen rolde. Hij droomde mooie dromen, over blije dingen. Een week later werd hij wakker. Langzaam drong alles weer tot hem door. Maar voor hij opnieuw verdrietig kon worden, voelde hij iets vreemds. Zijn hart was niet koud, zoals de nacht dat zij stierf en zoals al die jaren vóór zij er was. Wazig van het lange slapen keek hij naar zijn borst. Hij zag zijn hart kloppen. Keboeng, keboeng, keboeng. Euh… hier klopte iets niet. Zijn hart wel, maar dat hoorde hij niet te zien? En waar was zijn meisje gebleven? Eventjes hoopte hij dat het allemaal maar een nare droom was geweest en dat zij zometeen de grot in zou huppelen, maar zó naïef was hij nu ook weer niet. Bovendien lagen haar kleren nog tegen zijn borst.

Alleen haar kleren??

Ineens zag hij wat er gebeurd was, al zou hij het nooit helemaal begrijpen. Zijn meisje was veranderd in een prachtig stuk bergkristal, dat naadloos in het gat bij zijn hart paste. Hij kon er doorheen kijken, glashelder was ze, het, euh.. Hij voelde voorzichtig aan zijn borst, verbaasde zich over hoe zacht én hard de steen voelde. Hoe warm ook. De warmte trok van de steen naar zijn hart naar zijn buik.. naar heel zijn grote drakenlijf, tot in de puntjes van zijn klauwen. Hij sprong op, maakte een rondedansje, en vloog naar buiten.’Kijk, hart, kijk eens hoe mooi alles is!!’ Zijn hart ging van instemming wat sneller kloppen, en de draak keek er naar zonder dat hij bang hoefde te zijn. Na een uurtje of wat dartelen ging hij moe, voldaan, maar ook wel een beetje in de war op zijn rug in een bloemenweide liggen. Lachend keek hij naar de wolken, met een brok in zijn keel. Hij had natuurlijk niet in de gaten dat de overlevenden van het platgebrande dorp woest op hem af kwamen sluipen, allemaal met pijl en boog in de aanslag.

Er was niemand meer die hem kon waarschuwen.. De eerste pijlen troffen de draak op vervelende, maar onschuldige plaatsen. Zoals wij een splinter of de angel van een bij verwijderen, plukte de draak de pijlen tussen zijn schubben uit. Verwonderd keek hij in het rond, tot hij begreep wie de mensen waren en waarom ze zo boos op hem waren. En alwéér begon de draak een potje te huilen, deze keer van berouw. Het drakenhart was erg goed te zien door het heldere kristal, de mensen richtten steeds nauwkeuriger. Maar de pijlen ketsten af en vonden geen millimeter ruimte om langs het kristal te komen. De draak huilde tot zijn tranen op waren, de mensen schoten tot hun pijlen op waren. Uiteindelijk was iedereen te uitgeput om nog verdrietig of boos te zijn en de draak zei nog maar eens: ‘Sorry..’

Toen iedereen uitgeraasd was, kwam uit de menigte een jongen tevoorschijn. Hij had al een tijdje staan roepen dat ze op moesten houden, zagen ze dan niet dat die draak spijt had en ook nog veel verdriet? Niemand had naar hem geluisterd, dat spreekt voor zich. Maar zodra er een stilte viel zag de jongen zijn kans. Hij liep naar de draak en sloeg zijn armen om zijn nek. ‘Gaat het een beetje, draak?’ De draak knikte, de jongen droogde zijn dikke tranen en aaide hem over zijn kop. De mensen snapten eindelijk dat deze draak anders was dan de andere draken. De draak gaf zijn schat aan de dorpelingen, die zo hun dorp weer konden opbouwen. Hij bewaakte voortaan mensen in plaats van zijn schat en werd de beroemdste edelsmid van de wijde omtrek. Het dorp werd welvarend, de mensen werkten met hem samen en zorgden voor hem. Als hij niet smeedde vloog hij vrolijk met een rug vol lachende kinderen door de bergen,. Niemand in zijn vallei was nog bang voor hem en niemand wilde nog op hem schieten.
En als hij niet smeedde of vloog lag hij op zijn rug tussen de bloempjes heerlijk te dromen, de zon warm schijnend op zijn borst.

Hij leefde gelukkig nog lang verder, beschermd door dat wonderlijke bergkristal waardoor iedereen zijn hart kon zien, zonder pijn of gevaar.

Hanneke van Dongen 2003 (origineel)/2016 (revisie)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *