Over schilderkunst: Ton Boelhouwer

Volgens Ton Boelhouwer (kunstenaar, docent aan de academie in Maastricht), is de schilderkunst klaar. Hij schreef er een manifest over en gaf me toestemming dat hier te publiceren.
Voor iedereen die zich bezighoudt met de vraag wat de schilderkunst is of zou kunnen zijn, of zou moeten doen of laten, is dit manifest een bordvol food for thought.

manifest 2019

1

Het onmogelijke moet gezegd worden:
met de schilderkunst is iets grondig mis.
Een productie van vier decennia schilderijen lijkt slechts zombies te kunnen voortbrengen: voorstellingen van voorstellingen die doen alsof. Codes worden gevolgd, invuloefeningen ingevuld; alles gevoegd naar de juiste structuren. Het zijn illustraties van figuratieve schilderijen, illustraties van abstracte schilderijen; souvenirs van dat wat ooit was.
Deze vloed aan schijn-voorstellingen lijkt op het nog voor éen keer mateloos vieren van iets dat voorbij is. Het is een pop aan touwtjes die heen en weer springt; een lijk dat rondgesjouwd wordt en in de overdrive gaat om te bewijzen dat het nog leeft.

De holte is volgelopen en loopt nu aan alle kanten over.
Een rivier begint opnieuw te stromen.

Vier decennia schilderkunst en 1980 was het kantel-punt. Daar begint iets dat tot nu prominent zal blijven. In eerste instantie leek het alsof het menselijke, -het antropomorfe-, in iedere soort en in iedere maat vrij plotseling belangrijk werd: heftige schilderijen in een soort neo-expressionistische stijl. Maar het was niet het menselijke dat prominent werd. Dat was alleen de dekmantel, een alibi om schilderijen te maken; echte (1) schilderijen van verf op doek, opgespannen over houten frames, hoog aan de muur gehangen en gemaakt door echte kunstenaars; mannen met snorren en baarden. Het waren schijn-voorstellingen van expressionisme en schijn-voorstellingen van negentiende eeuwse kunstenaarsmythes. In werkelijkheid was het een massale schilderijen-produktie die opgestart werd om aan de vraag van een exploderende markt te kunnen voldoen. Om het vliegwiel van vraag en aanbod draaiende te houden moest deze productie voortdurend gedifferentieerd worden, d.w.z. het ene merk moest het andere merk opvolgen; steeds nieuwe brandstof, steeds weer nieuwe jonge schilders die op de band gezet werden. Een lopende band aan voorstellingen.
Het algemene kenmerk van de merken die de afgelopen veertig jaar op de markt verschenen is de simulatie, het simulacrum; oftewel: de schijn-voorstelling. De voorstelling wordt gesimuleerd. Het is de voorstelling van een voorstelling. Deze schijn-voorstelling kan van iedere soort voorstelling zijn: expressionisme, abstract-expressionisme, abstract geometrische kunst, geometrische minimal art, historische kunst, zee-gezichten, meisjes-portretten, groep-portretten, baby-portretten, stillevens, kleurenkaarten, amateurkiekjes.
Nergens wordt het smerig of gaat het stinken en nooit zal het de bocht uitvliegen. Alleen het steriele van de code overheerst. In de schijn-voorstelling bestaat geen relatie tot de zee of tot de kleur, maar tot de code van een voorstelling.

Deze eindeloze productie van voorstellingen van voorstellingen en daar weer voorstellingen van, legt tegelijkertijd het werkelijke probleem bloot: de volledige uitputting van het concept van de voorstelling; van het schilderij aan de muur. De enige manier waarop dit schilderij zich nog kan bewijzen is om in een opgevoerde versie steeds opnieuw gereproduceerd te worden. Onder deze reproductie gaapt het inzicht dat de voorstelling niet meer mogelijk is, het vermoeden dat er geen voorstelling van de wereld meer te maken is. Wat nog rest is doen alsof. 

De manier waarop er met deze schilderijenreproductie wordt omgegaan heeft daarom iets van een gereguleerd reservaat voor een bedreigde diersoort: speciale prijzen voor schilderkunst, speciale tentoonstellingen voor schilderkunst; dit mag wel en dat mag niet; een speciale, gereguleerde omgang want het schilderij als voorstelling kan zich in diepste wezen niet meer meten aan de wereld.

2
Het schilderij als voorstelling was een uitvinding. Het rechthoekige vlak – deze wat eigenaardig opgespannen platte tent aan de muur – is er niet altijd geweest en er is geen enkele reden om aan te nemen dat het voor altijd zal blijven bestaan.(2) Het was een specifieke uitvinding binnen een historische perceptie die er van uit gaat dat de mens van buiten-af de werkelijkheid kan bekijken. Het schilderij als voorstelling was een verwezenlijking van deze perceptie: het onttrekt zich letterlijk van de wereld – doordat het opgehangen wordt aan de muur – om vanuit deze schijnbaar buiten-aardse positie een venster te openen óp deze wereld; een voorstelling te maken óver deze wereld. De voorstelling aan de muur maakt geen deel uit van de wereld, maar toont de wereld zoals die volgens de voorstelling is. Dat is altijd haar grote kracht geweest en de mogelijkheid-voorwaarde voor het schilderij als voorstelling.

Deze mogelijkheid-voorwaarde valt binnen een historische perceptie die de mens buiten de andere verschijnselen plaatst en vanuit deze buiten-aardse positie de wereld hiërarchisch ordent, categoriseert en structureert. In deze hiërarchie plaatst de mens zich zelf buiten en vooral boven de rest. De rest is al het andere, – behalve de mens.

Deze positie heeft de scheiding van cultuur en natuur mogelijk gemaakt en de scheiding van essentie en verschijning; de ontwikkeling van wetenschap en techniek, van het humanisme, van het dualisme van lichaam en geest (de geest die over-bezield is en het lichaam, de materie en de natuur die onbezield zijn) en tenslotte tot de milieu-en klimaatcatastrofe die zich nu aan het voltrekken is (3).
Vanuit deze perceptie en positie kon er geloofd worden in het concept van de voorstelling en de structuur die deze voorstelling mogelijk maakt. 

3
God is dood.

Vanaf het moment dat de filosoof met de hamer dit uitsprak (4) versplinterde de voorstelling en werd het schilderij in plaats van een voorstelling over de wereld, deel van de wereld. Het werd een ding, een tableau, een plank met verf. 
Met God’s dood komt degene die zich aan hem spiegelde in het luchtledige te hangen en valt terug op aarde; op de stoeptegels, tussen de brandnetels en lantaarnpalen. De hiërarchie-opbouw van categorieën en onderscheidingen – van mensen bovenaan en vervolgens diersoorten, planten en dingen – breekt open. De grond onder de mogelijkheid-voorwaarde van een voorstelling valt weg. En dan blijkt dat op ieder niveau en op ieder moment alles elkaar ontmoet, samengaat en weer uiteen valt. Op ieder niveau en op ieder moment vinden er ontmoetingen van gebeurtenissen plaats die tijd en ruimte vormen en weer open breken en verschuiven en opnieuw voor even samengaan. (5) Alles door elkaar heen. 

Dit wordt vanaf het moment van die hamer geweten of in ieder geval vermoed. Er wordt vermoed dat het primaat van de mens en het menselijke als verbeelding geen grond meer heeft. Deze vermoedens boren zich diep in het schilderen en lossen voorstelling én maker op.
De schilderijen-produktie van de afgelopen veertig jaar daarentegen is een back-lash, een reactie en een restauratie tegen beter weten in. Het primaat van het menselijke moest gerestaureerd worden, maar het geloof erin was verdwenen. Deze schijnvoorstelling is op zijn best een strategie om met dit ‘tegen beter weten in’ om te gaan. 

Het lijkt er op dat deze stroom te herleiden is tot de brede behoefte aan ‘echte’ schilderijen, platte tenten aan de muur. Maar waarom? 

Er is geen geloof in de mogelijkheid van een voorstelling van de wereld, terwijl juist dit geloof ooit het rechthoekige platte vlak aan de muur heeft uitgevonden en mogelijk gemaakt. Daarom is de enige mogelijkheid van het schilderij nog een zombie die zich te goed doet aan iedere soort voorstelling. Daarom moest er een gereguleerd reservaat ingericht worden – dit is echte schilderkunst en dat niet – en de wereld op afstand gehouden worden. 
Waarschijnlijk is het niet toevallig dat veertig jaar schilderkunst samen valt met veertig jaar neo-liberaal potverteren. De enorme ontwikkeling van de markt gebeurde op een schaal die ongekend was, – Co2 uitstotend tot deze klimaat- en milieucatastrofe die zich nu aan het voltrekken is. Ook dit gebeurde tegen beter weten in en werd tegen beter weten in politiek-breed gedeeld.

Nu zullen we moeten. We zullen moeten erkennen dat we niet de enigen zijn.

4
We zijn niet alleen.

Er is een volkomen radicale, maar niet meer te keren, omdraaiing van waardes gaande. Het beeld van een inerte en zielloze natuur tegenover een over-bezielde en bewuste mens is aan het kantelen. De wolken die nu aan de hemel verschijnen en de hoosbuien die we over ons heen krijgen – of de hitte – zijn niet meer die van een neutrale natuur maar van krachten die wakker worden en op ons reageren. Het vermoeden dringt zich op dat wij niet de enigen zijn met een beslissingsvermogen; dat wij niet de enigen zijn die met ons handelen onze omgeving proberen te beïnvloeden, maar dat ieder verschijnsel op ieder niveau en op ieder moment dat doet.

Daarmee barst de menselijke status als heerser of rentmeester over die natuur; als degene die een voorstelling kan maken óver die wereld. We zijn een deel, een klein deel van een veel groter lichaam dat met het grootste gemak door heel andere krachten weg-geamputeerd kan worden…. Het menselijk, al te menselijke perspectief wordt door hoosbuien weggespoeld of verdroogd onder deze hitte.
Een volledig ander idee van eenheid dringt zich in een nieuw klimaatregime op. Ja; het zijn is éen, maar het is niet een verzameling duidelijk te onderscheiden identiteiten waar een hiërarchische voorstelling van te maken is.
Het is eenheid waarbij op ieder niveau en op ieder moment een ontmoeting plaats vindt van gebeurtenissen die samen stellen en weer uiteen vallen. In deze ontmoetingen zijn de verschijnselen transparant, – ook het zelf. Steeds vallen we uiteen om weer voor even samen te komen…op ieder niveau en op ieder moment; door elkaar heen (5). 

Alles wordt steeds weer opengebroken: er is geen ding, er is geen zelf, er is geen identiteit, er is geen beeld, er is geen verhaal, er is geen betekenis. Er is alleen een ritme van samentrekken en weer openbreken. Dit ritme, hartslag of ademhaling, is de eenheid.
Het schilderen zal op de grond komen want wij zullen moeten landen op aarde. De verheven verticale blik van boven-af zal horizontaal draaien in een kijken om ons heen. Een kijken dat niet scheidt, geen voorstelling maakt, maar opgaat in het continu verschijnen van werkelijkheid. Er schuilt vreugde in dit kijken want de verschijnselen om ons heen glimlachen.Waarom schilderen?
Waarom niet alleen kijken en opgaan?
Ja; dat laatste zou ook kunnen. Alleen: schilderen genereert juist kijken, – het produceert kijken. Misschien is schilderen een handeling die laat zien dat het zelf zich uitsmeert over de delen; dat de hand en de handeling anders is, – een ander -, die ontmoet wordt.

De handeling ademt tussen wat bepaald kan worden en wat niet. Juist daarom lijkt het iedere waarom-vraag om te draaien. Schilderen gebeurt. De oorzaak blijkt niet relevant te zijn voor wat gebeurt want het gebeuren overstijgt iedere oorzaak, ieder gevolg en dus ook de waarom-vraag. Dit is het werkende, het voortdurend werkende in het schilderen zoals ook de transparantie van alles in het continu werkende schuilt; in het voortdurend samen-gaan en weer open breken.
Het schilderij valt in stukken uiteen en spreidt zich uit over de grond. De schilder verliest zijn ledematen en vindt ze terug; daar een been, daar een arm…Hij is eindelijk verlost van die verdomde individualiteit, het zelf breekt alle kanten op. Hij kan een hand ontmoeten, een kleur, een gebeuren. Het is niet van hem want ik bestaat niet. Eindelijk kan hij zingen

Een rivier ontspringt…

Ton Boelhouwer december 2018 – januari 2019

1 De mythe van het “echte” begint wanneer een positie of identiteit buiten ieder debat gehouden wilt worden en zich beroept op een historische wortel. De vraag is of die wortel als zodanig bestaat.

2 Walter Benjamin in ‘Painting as model’ van Yve Alain Bois:  ” Benjamin once noted that the easel painting was born in the Middle Ages, and that nothing guarantees that it should remain forever” (p.241).

3 Bruno Latour: “oog in oog met Gaia” en “Waar kunnen we landen?”

4 Friedrich Niezsche in “Die fröhliche Wissenschaft” en “Also sprach Zarathustra”.

5 Carlo Rovelli: “Het mysterie van de tijd.”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *