‘Een beetje dom’

Als puber werd ik stapelverliefd op een gitarist. Hij woonde in de straat waar ik geboren was, op kamers in een statig herenhuis. Hij was niet zo verliefd op mij, maar dat zei hij niet en ik vroeg er niet naar. Op een dag spraken we af. Ik stond natuurlijk ruim op tijd bij hem op de stoep. Belde aan. En nog eens. Liep een rondje en belde nog een keer aan, misschien was hij wat vertraagd bij een repetitie. Ofzo. Na een paar rondjes en steeds vergeefs aanbellen, wist ik het zeker: hij lag met een gebroken been of erger ergens in zijn kamer en kon onmogelijk naar de voordeur komen, een verdieping lager. Zijn kamer met balkon was aan de achterkant van het huis. Ik moest hem redden! Aan de zijkant van het huis zat een houten plantenrek. Voor een clematis, maar ik woog niet zo heel erg veel meer dan een metershoge clematis, toch? Ik klauterde met gevaar voor eigen leven tegen de muur omhoog, om op zijn balkon te kunnen komen. Vandaaruit zou ik hem kunnen roepen dat redding nabij was. Ik had toen nog geen hoogtevrees. 
Kennelijk ook geen dieptevrees. Dat veranderde  wel een beetje toen de kamer leeg bleek te zijn. En hij de afspraak domweg vergeten. 

Heel iemand anders, jaren later, deed alsof hij stapelverliefd op me was en ik geloofde hem maar al te graag. Nee, hij had niet heel veel tijd voor me en ja, hij was veel weg maar daar was een goede reden voor: hij had een hersentumor en moest regelmatig naar Rotterdam voor een super-mega-innovatieve behandeling. Ja heel kut ja. Nee, ik hoefde niet mee. Uren wachten terwijl hij in een of andere buis lag waar zelfs de artsen niet bij in de buurt mochten komen. Straling enzo. Ja joh. Heftig. Daarna heel veel hoofdpijn. Daar had ik niks aan. Hij stelde me wel voor aan zijn zoontje. Dat zoontje had een neppistool met plastic kogels. We zaten aan tafel en hij (de man) daagde me uit om ergens op te schieten. ‘Waarop dan?’ 

‘De lamp achter je.’ Achter mijn rug, aan de andere kant van de kamer, hing een metalen lamp aan het plafond. Een lamp waar hij erg trots op was. Ik pakte het pistool, draaide me om en schoot achteloos heel strak in één keer een beste deuk middenin de lampenkap. Draaide me kalmpjes om en glimlachte naar de verbaasde gezichten tegenover me. Superstoer. Maar zo stoer was het verder allemaal niet. Want wat hij ook aan mooie verhalen vertelde: de onrust groeide met de dag. Nouja, logisch toch, als iemand die zegt met je verder te willen een levensgevaarlijke hersentumor heeft? Eentje die elk moment uit elkaar kan barsten met alle gevolgen van dien? Acute coma, minstens. Een mens zou van minder zenuwachtig worden. 

Een week na de gedeukte lampenkap zou ik bij hem eten. Ik belde op de afgesproken tijd aan. Nog eens en nog eens. De flat bleef donker. Ik liep een rondje om de flat. Nog eens aanbellen. Inmiddels wist ik zeker dat hij ergens in de douche lag, dat de dreiging van de uit elkaar ploffende tumor werkelijkheid geworden was. Tegelijk zei mijn instinct dat hij me gewoon had laten zitten. Terwijl mijn verstand en mijn gevoel een heftige oorlog met elkaar voerden, belden mijn handen 112 en vertelde mijn stem dat ik bang was dat mijn vriend-met-tijdbom-tumor half of helemaal dood in de badkamer ofzo lag. Politie en brandweer arriveerden, de voordeur werd geforceerd. De flat was leeg. 

Een dag later belde een vriendin me. Ze wist niet hoe ze het me moest vertellen maar.. Wist ik dat hij helemaal geen hersentumor had waarvoor hij regelmatig naar Rotterdam moest, maar wel een stuk of wat andere vriendinnen, die hij allemaal hetzelfde verhaal vertelde? 

Ik heb me zelden zo bevrijd gevoeld als na dat gesprek met die vriendin. En ik zou graag zeggen dat ik verder niet zo heel erg geblunderd heb in de liefde, maar dat zou gelogen zijn. 

2 Replies to “‘Een beetje dom’”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *