TEFAF 2019: politiek en sprookjes

(foto: Harry Prenger)

door Hanneke van Dongen

21 maart, een prachtige doordeweekse lentedag met politieke donderwolken. De bloemenwand bij de entree wordt volop gebruikt als selfie-achtergrond. Bij het bouwen van de tijdelijke galeries zijn opnieuw kosten noch moeite gespaard. De TEFAF is toch eerst en vooral prestigieuze handel: een overdekt decadent marktplein waar je veertig euro per persoon meebetaalt aan de entourage. Die na een week voor een groot deel in de kliko verdwijnt.

Met het groeiende bewustzijn over de manier waarop de witte westerse mens de wereld eeuwenlang domineerde, de aandacht voor milieu en klimaat, onze verspillingsdrift en de groeiende ontevredenheid onder minderbedeelden, wordt het elk jaar lastiger om onbekommerd te genieten van alle peperdure kunst tussen nagenoeg uitsluitend witte, welgestelde mensen.

Gerhard Richter – Abstract Painting (foto: Hanneke van Dongen)

De gesprekken gaan voornamelijk over zaken, carrières, status, handel. Een mevrouw leidt even zoet af van de verwarrend sombere gedachten die de glanzende weelde oproepen. Ze staat met haar man (ze dragen althans beiden dezelfde gouden ring, die van hem wat breder dan die van haar) voor een schilderij van Gerhard Richter: “Zo leuk! Dat lijkt makkelijk hè, maar dat is het niet hoor!” Na een korte stilte, waarin penseelstreken aandachtig bestudeerd worden, vervolgt de mevrouw vrolijk: “Dat is precies wat onze juffrouw ons leert!” Gelukkig. Er zijn nog mensen die naar schilderijen kijken omwille van het plezier van het kijken, met onbedorven vreugde.

Salvador Dalí – What The Country Looked Like In 1987 (foto: Hanneke van Dongen)

Het gros van de stands op de afdeling ‘moderne kunst’ (die vaak al bijna honderd jaar oud is, beginnend bij het impressionisme) is meer van hetzelfde; gevestigde namen met een solide marktwaarde. Opvallend zijn de vele Schoonhovens. Waren die er in voorgaande jaren minder, of springen ze nu meer in het oog omdat er onlangs een documentaire over Schoonhoven op televisie was? Bij Thomas Salis hangt een pentekening van Salvador Dalí, gemaakt in 1937, met als titel: What The Countryside Will Look Like In 1987. Een pentekening die eind jaren dertig gemaakt is door een kunstenaar die destijds door zijn mede-surrealisten uit de club gegooid werd vanwege al dan niet vermeende sympathie met fascistische leiders. André Breton zette hem zelfs bijna letterlijk bij het oud vuil, door bij een tentoonstelling (New York, 1941) een vuilnisbak te laten plaatsen met daarop de tekst: Dalí.

Bij een andere galerie hangt een werk van Emil Nolde, ook geen onschuldige schilder in het licht van Nazi-Duitsland. Moet het uitsluitend om het werk (en de marktwaarde) gaan, of heeft een galerist (ook) een voorbeeldfunctie? De verwarring neemt toe. Kunst en politiek: het is en blijft een lastige combinatie. Aan de ene kant is het voor het gros van de kunstenaars evident dat zij werken in de tijdgeest waarin ze nu eenmaal leven, en daar vaak ook een mening over hebben. Die mening komt al dan niet tot uitdrukking in hun werk. En vaak wordt pas achteraf duidelijk of die mening bij team A of team B of team C hoorde. Waarbij het ‘winnende’ team -vaak tijdelijk- steevast als het ‘goede’ team de boeken ingaat. Wat moeten we ermee? En ook: wat moeten we ermee in een politiek klimaat dat kunstenaars wegzet als een van de oorzaken van alle armoede onder de ‘gewone man’? Zou Baudet zelf naar de TEFAF geweest zijn? Kent hij de achtergronden van de kunstenaars die eind jaren dertig van de vorige eeuw hun ding deden? Zou hij op de bankjes hebben mogen zitten waar distels op gelegd zijn omdat ze alleen bezeten mogen worden door (potentiële) kopers?

(foto: Hanneke van Dongen)

Is het okee om niets te doen met de politieke lading van kunst en ons doof en blind te houden voor de signalen die steeds duidelijker worden: dat er steeds meer mensen zijn die niet ‘neutraal’ zijn, en die in elk zwijgen, toestemmen zien. Die Rutte horen zeggen dat Zwarte Piet gewoon traditie is. Die Baudet dingen horen zeggen die Wilders ook zei, maar dan handiger verpakt, al lukt het Baudet niet om correct te citeren uit werken van grote denkers.

Bij de niet zo heel moderne kunst wordt de existentiële twijfel groter bij elke stand. De moed ontbreekt om galeristen aan te spreken op hun keuzes. Bij de hedendaagse kunst zijn voornamelijk werken van Aziatische kunstenaars te zien. Bij hen lijkt het zo virtuoos mogelijk uitvoeren van een ambacht, de esthetiek, het te winnen van de ethiek. Indrukwekkend, vaak ook veilig. Wel zo verstandig in sommige gevallen, vraag maar aan Ai Weiwei.

Tussen al die overrompelende tegenstrijdigheden, samengebald in het MECC, biedt maar één galerie een moment van rust. Bij de ingang hangt een enorm keramieken werk van Katsuyo Aoki. Het werk is van geglazuurd porselein en doet denken aan een reusachtige medaillon. Twaalf tegels met kobaltblauwe schildering onder het glazuur doen onmiddellijk denken aan Delfts Blauw, dat natuurlijk oorspronkelijk helemaal niet uit Delft kwam, maar uit China. De twaalf tegels zijn in een liggende ovaal gesneden en met een verticale middenas volledig symmetrisch beschilderd met vlinders en bladvormen. Om de ovaal heen en als grote (letterlijk: bijna even groot als de tegels) kroon op de ovaal, zit een lijst van wit geglazuurd porselein, even beheerst als uitbundig gevormd van golvende en krullende vormen.

Kim Simonsson (foto: Hanneke van Dongen)

Ernaast, op een verhoging, staat een wonderlijk groen schepseltje met een mossig aandoende huid. Op het hoofd een dierenkop getooid met veren. Het werk is van Kim Simonsson. Het werk van Simonsson heeft -net als dat van Aoki- keramiek als basis en ook bij dit werk valt de detaillering op. Gevoelsmatig is de uitwerking volstrekt anders: het werk van Aoki dwingt respect af, heeft een enorm rijke uitstraling, terwijl het werk van Simonsson aaibaar lijkt. Maar dan wel een beetje gevaarlijk: het groene schepseltje zou ook zomaar een hap uit je hand kunnen nemen als je niet lief bent.

Beide werken stralen net als de andere werken in de stand van Jason Jacques Gallery (New York) een soevereine rust uit. Er zijn vazen en muurplanken en beelden. En niet één ervan doet denken aan ‘vaas’, ‘muurplank’ of ‘beeld’. De woordvoerder van Jason Jacques, Donald Gajadhar, vertelt hoe Aoki álles met de hand maakt en daarbij tamelijk obsessief naar symmetrie streeft. Is een werk niet volledig symmetrisch, dan wordt het zonder pardon vernietigd.

Simonsson maakte zijn sculpturen oorspronkelijk ook in andere kleuren dan groen, maar geen enkele andere kleur bleek te werken. De moderne en historische keramiek in deze galerie verwijst vaak naar de natuur. Organische vormen, bomen, planten en figuren die een kinderlijk verlangen naar sprookjes oproepen. Zelfs de uit gerecycled plastic gemaakte vazen van Shari Mendelson, al dragen die de vormentaal van de oude Grieken, stralen een dromerige rust uit door het diffuse, melkachtige schijnsel dat erdoorheen schijnt en associaties met maanlicht oproept.

Pol Mara (foto: Hanneke van Dongen)

Tegen de achterwand hangt een groot en grappig werk van Pol Mara. Een fotomontage met een torso van een vrouwelijk Grieks beeld, waaronder een paar stevige voetbalbenen rennen. “That is a soccer player exploring his feminine side”, vertelt Donald Gajadhar, zelf overigens ook kunstenaar. Het is niet de enige subtiele verwijzing naar hier en nu, maar nergens worden de verwijzingen opdringerig. Het is een verademing om verschillende periodes en technieken zo natuurlijk en pretentieloos samen te zien vallen. Hoe divers de werken ook zijn: ze ademen allemaal dezelfde autonome vanzelfsprekendheid, die geen erkenning nodig lijkt te hebben.

Op een opmerking over “al die Fontana’s” in andere galeries haalt Gajadhar zijn telefoon tevoorschijn en laat één van zijn werken zien. Een Fontana-achtig doek, met een verticale scheur, waarover een pleister geplakt is. De pleisters van dit merk zo vertelt Gajadhar, werden in de jaren tachtig in verschillende huidskleuren gemaakt en verkocht. Onduidelijk is waarom de pleisters nu allemaal weer terug zijn naar één lichte huidtint. Vervolgens vertelt hij uitgebreid over de maakprocessen van de verschillende kunstenaars, veelal direct geïnspireerd door de natuur. En de natuur doet niet aan politiek. Ze heeft wel wat beters te doen.

Hoe het ook zij: de werken in deze galerie en het gesprek met de opgewekte vertegenwoordiger ervan, is als een zachte pleister in precies de kleur die nu nodig is: die van hoop en sprookjes waarin het kwade en destructieve altijd een rol heeft, maar het uiteindelijk toch af moet leggen tegen de ‘zachte’ krachten. Het prachtige boek van de galerie ligt voorlopig op het nachtkastje. De afbeeldingen samen met de verhalen van de kunstenaars en hun drijfveren zijn als zalf voor de ziel voor het slapengaan.

Tefaf 2019 (MECC, Maastricht)

Tags: Jason Jacques GallerySalvador DalíTefaf 2019


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *